zondag 9 januari 2011

Alleen Gods wegen zijn ondoorgrondelijk

Waarde lezer, sta mij toe een overdreven vergelijking te maken: mijn hoofd was als een druk station dat ontruimd moest worden vanwege een bommelding op perron 5A. De politie, de brandweer en de landmacht moesten erbij komen om de onheilspellende koffer onschadelijk te maken: ik was Verliefd. En Verliefdheid is Taboe.

Wist je dat de mensheid guller schenkt aan een goed doel met een reclameposter waarop één vijfjarig derdewereldhummeltje op staat dan aan dat met een poster die een hele schoolklas herbergt? Dat komt omdat men zich beter kan inleven in de emoties van een enkel kind dan in die van een hele kudde. Van het inlevingsvermogen komt medeleven, van medeleven komt ellende. De mensheid eist vertrouwelijkheid, inspraak en een plaats in je persoonlijke ruimte. Een vinger in jouw pap. Ik ben geen derdewereldhummel, liefde en aandacht zijn voor mij niet weggelegd. Emoties zijn voor het plebs en ik kan prima zonder. Ik wil de eigenschap bezitten die alleen Gods wegen toebedeeld is: ondoorgrondelijkheid.
Mijn leven lang heb ik deze levensfilosofie in stand weten te houden en ook de houding van mijn medemens is onveranderd gebleken: men bekeek mij met een mengeling van argwaan en ontzag, een dodelijke combinatie die je tot eenzame hoogte vervloekt. Ik heb nooit hoogtevrees gehad. Minnaars en andere hulpelozen hebben geprobeerd mij op andere gedachten te brengen, maar hun pogingen waren niet anders dan een vruchteloos offensief tegen een onneembaar fort.

Mijn kokend vet bleek echter niet genoeg om jou buiten de deur te houden. Ben je gek geworden? Wat had je in mijn hoofd te zoeken? Het deed er eigenlijk ook niet toe. Zaak was je er weer uit te krijgen, want je had je met scherpe weerhaken achter mijn oren genesteld en leek niet van plan daar ooit nog weg te gaan. Deze situatie vroeg om een operatieve verwijdering.

Het begon vrij gemakkelijk. Zonder enige moeite gooide ik bioscoopkaartjes, kledingstukken, geleende cd's en adresgegevens op mijn imaginaire brandstapel. Hieropvolgend kwamen, met meer pijn in mijn hart, je cadeaus, de weinige foto's die ik bezat, je telefoonnummer. Ik schoonde met een verbeten gezicht mijn huis en hoofd op van jouw aanwezigheid, met op de achtergrond, roodgloeiend, het briefje dat je in mijn broekzak had gestopt vanochtend en dat de ondergang van mijn stoïcisme betekende. Ik trok mijn broek uit en zette de wasmachine aan.

Toen ik een uur later mijn hand in de rechterzak van mijn natte spijkerbroek stak voelde ik de viezige kruimels die overblijven als je een papiertje in je zak laat zitten bij het wassen. Ik peuterde de restanten uit de broekzak. De laatste pluisjes schudde ik uit in de tuin, mijn zak binnenstebuiten gekeerd. De tekst die ooit op het briefje had gestaan was volkomen onleesbaar. Mijn hard verpulverde zoals het papiertje: onherkenbaar gemuteerd lagen de snippers voor me op de grond en werden één voor één door de wind meegenomen, zodat ik nooit, nooit meer kon toegeven aan de menselijke kwetsbaarheid.



NB: een beetje typisch verhaaltje dit. Veel te gekunsteld en dramatisch. Ik heb het een jaar of twee geleden geschreven en vond het zojuist terug op de computer.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten